geëxternaliseerde
gedragsstoornis
Vragen ten behoeve van de diagnostiek van de geëxternaliseerde
gedragsstoornis
- Zijn de criteria van de DSM IV van toepassing.
- Is het gedrag al sinds de vroegste jeugd aanwezig.
- Is er sprake van en gebrekkige ik-ander differentiatie. (maakt hij
verschil tussen de belangen van de ander en zichzelf)
- Is het kind in staat tot empathie. (medegevoel)
- Heeft het kind behoefte om met andere kinderen te spelen of te werken.
- Is het kind in staat tot zelfreflexie. (nadenken of de eigen situatie)
- Heeft het kind weinig angst tijdens zijn activiteiten. (neemt het
onverantwoordelijke risico's)
- Is het kind structureel- of situatie gebonden agressief.
- Heeft het kind een lage frustratie tolerantie. (reageren op tegenslag)
- Is er sprake van sterke bewustzijnsschommelingen.
- Op welke wijze liegt het kind.
- Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind zouden kunnen
verklaren.
Denkt het kind irrationeel.
- Het stellen van dwingende eisen t.a.v. zichzelf of anderen.
- Rampdenken. (situaties als verschrikkelijk beoordelen)
- Niet kunnen omgaan met tegenslag.
- Je waarde als mens niet op de juiste wijze kunnen inschatten.
(zelfoverschatting)
Vragen ten behoeve van de diagnostiek van de geëxternaliseerde
gedragsproblemen
- Is er sprake van een specifiek moment waarop het problematisch
gedrag een aanvang nam.
- In welke situaties vindt het gedrag plaats.
- In welke situaties vindt het gedrag niet plaats.
- Is het bekend of het kind traumatische ervaringen heeft ondergaan.
- Heeft het kind een echtscheiding van zijn/haar ouders meegemaakt.
- Hoe zijn de pedagogische kwaliteiten van de ouders te omschrijven.
- Hoe is de hechting van het kind.
- Hoe is de mate van autonomie van het kind. (zelfstandigheid)
- Is het gedrag beperkt tot de periode van de puberteit.
- Hoe is de relatie van het kind met zijn/haar ouders.
- Wat is de opvoedingsstijl van het gezin.
- Vertonen andere kinderen in het gezin problemen.
- Zijn er problemen geconstateerd binnen de vriendenkring, buurt of school.
Vragen ten behoeve van de diagnostiek van de geïnternaliseerde gedragsstoornis
- Is het kind situatie gebonden of algemeen angstig.
- Is het kind algemeen of situatie gebonden verlegen.
- Is het gedrag al sinds de vroegste jeugd aanwezig
- Is er sprake van een sterke ik-ander differentiatie.
- Is het kind sterk empathisch ingesteld.
- Kampt het kind met een gebrek aan assertiviteit.
- Is het kind voortdurend bezig met zelfreflexie.
- Vertoont het kind vermijdingsdrang.
- Is het bovenmatig alert. (Lijkt het steeds op de hoede)
- Past het kind zich gemakkelijk aan.
- Hoe is de morele ontwikkeling van het kind.
- Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind zouden kunnen
verklaren.
Denkt het kind irrationeel.
- Het stellen van dwingende eisen t.a.v. zichzelf of anderen.
- Rampdenken. (situaties als verschrikkelijk beoordelen)
- Niet kunnen omgaan met tegenslag.
- Je waarde als mens niet op de juiste wijze kunnen inschatten.
(onderschatten)
Vragen ten behoeve van de diagnostiek van ADHD
- Zijn de criteria van de DSM IV van toepassing.
- Zijn er neurologische aanwijzingen voor onrijpheid of hyperkinesi.
- Zijn de problemen in de vroege jeugd begonnen.
- zijn er familieleden met ADHD
- Past het kind zich gemakkelijk aan.
- Kent het kind een goede ik-ander differentiatie.
- Heeft het kind behoefte om met andere kinderen te spelen of te werken.
- Blijft het kind actief wanneer het in gesprek is.
- Is het kind in staat tot zelfreflectie.
- Is er sprake van andere rijpingsstoornissen.
- Is er sprake van leerstoornissen.
- Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind verklaren.
Vragen ten behoeve van de diagnostiek van DCD
- Zijn de criteria van de DSM IV van toepassing.
- Zijn er opvallendheden in de motoriek van het kind.
- Zijn de problemen met de spraak.
- Zijn er familieleden met DCD.
- Heeft het kind fysiotherapie of logopedie gehad.
- Hoe is het zelfbeeld van het kind.
- Is er sprake van faalangst.
- Hoe stelt het kind zich op in sociale situaties.
- Heeft het kind behoefte om met andere kinderen te spelen of te werken.
- Is er sprake van andere rijpingsstoornissen.
- Is er sprake van leerstoornissen.
- Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind verklaren.
DIAGNOSTIEK advies van het ministerie van onderwijs en wetenschappen.
(Dyslexie, een praktische gids voor scholen voor voortgezet onderwijs,
augustus 2002)
Een goede diagnose bestaat uit 3 onderdelen:
- De onderkennende diagnose
- De verklarende diagnose
- De handelingsgerichte diagnose.
De onderkennende diagnose bevat 5 criteria waaraan moet worden voldaan:
- Achterstand: het
vaardigheidsniveau van lezen en/of spellen ligt significant onder dat van
leeftijdsgenoten in een relevante vergelijkingsgroep.
- Gebrek aan nauwkeurigheid
en/of snelheid (traag tempo, veel fouten)
- Voldoende gelegenheid tot
leren (ondanks didactisch goed geplande aandacht, doublure extra oefening)
- Hardnekkigheid; ook na remediëren
blijft de achterstand.
- Tekort in de automatisering:
opmerkelijke daling van kwaliteit in de taakuitvoering wanneer twee taken
tegelijk worden verricht (spellen en stellen bv), spellen en lezen
moeilijker van niveau wordt, onder spanning of tijdsdruk wordt gewerkt.
lezen: getoetst wordt op woord en tekstniveau.
Is er sprake van achterstand?
De mate van achterstand, korte beschrijving van het leesgedrag m.b.t. tempo
en nauwkeurigheid (tempo laag, groot aantal fouten, radende spellende leesstijl)
spelling:
Spellingsachterstand, mate van spellingsachterstand, korte beschrijving van
het spellingsgedrag (m.b.t. tempo) leesbaarheid, soorten fouten en aantal
fouten.
Er kan sprake zijn van een zwakke, niet geautomatiseerde
woordbeeldidentificatie. Er kunnen problemen zijn met de automatisering van
schriftbeeldvorming.
De verklarende diagnose bevat 3 kenmerken waaraan voldaan moet worden.
- Ze bekijkt of er tekorten aantoonbaar zijn in de fonologische
klankverwerking
- Tekorten in de toegankelijkheid van taalkennis in het bijzonder en de
kennis t.a.v. symbolen (natuurkunde wiskunde)
- Tekorten inde automatisering van complexe vaardigheden
De uitspraken worden gedaan op basis van gegevens die verkregen zijn met
controleerbaar betrouwbare psychodiagnostische instrumenten en procedures.
Aangegeven moet worden dat de stoornis niet het gevolg mag zijn van
omgevingsfactoren, zoals een tekort aan onderwijs of van onderwijs op een te
hoog niveau.
- Tekorten in de fonologische verwerking: Het gaat om onderzoek van
identificeren van klanken, manipuleren met klanken, mogelijkheid tot
analyseren en synthetiseren.
- Tekorten in de toegankelijkheid van taalkennis en kennis van symbolen.
Opsporen van woordvindmoeilijkheden, snel benoemen van plaatjes;
cijfers/letters, kleuren, namen letterkennis (snelheid 20 sec. bij oplezen,
27 seconden bij flitsen)
- Integratie van modaliteiten en/ of deelprocessen verloopt moeizaam:
koppeling van visueel naar auditief en omgekeerd, visueel- vsueel en
auditief-auditief.. Het gelijktijdig toepassen van meerdere vaardigheden
vertraagt het decoderingsproces en leidt tot fouten
De handelingsgerichte diagnose heeft tot doel
aangrijpingspunten voor behandeling vast te stellen, die leiden tot een
oplossing of vermindering van onderwijsbelemmeringen
Onderscheid wordt gemaakt in taakrelevante
aangrijpingspunten en taakgerichte aangrijpingspunten.
Taakrelevante aangrijpingspunten: frustratie van talent,
aan en afwezigheid van compensatiemogelijkheden, het sociaal- emotioneel
functioneren en al dan niet voorkomen van leer-en werkhoudingsproblemen.
Taakgerichte aangrijpingspunten: keuzes m.b.t. remediëren,
compenseren en dispenseren.
Compensatiemogelijkheden: letten op: cognitieve
vaardigheden, sociale vaardigheden, emotionele stabiliteit, motivatie, algemeen
taak-aanpak gedrag, meta-cognitieve vaardigheden, leesredzaamheidstrategieën.
Taakgerichte behandelpunten :
Toelichting waarom dit voor de leerling opgaat Te denken is
aan:
-
Specifieke ontwikkelingsstoornissen en zintuiglijke
problemen.
-
Stimuleren : boekpromotie, functioneel lezen, plezier
lezen, het nut van schrijven.
-
Remediëren: zwakke punten in het beheersingspatroon
aanpakken
-
Compenseren: gebruik maken van de sterke punten:
gebruik maken van de context bij lezen, inspelen op specifieke interessen,
functioneel lezen (recept, handleiding apparaat, sollicitatie)
-
Dispenseren: vrijstelling geven.
Taakrelevante behandelingspunten:
Toelichting waarom dit punt voor deze leerling opgaat Te
denken is aan:
- leesattitude
- relevantie
van lees/spellingsvaardigheid voor de leerling
- vergroten
van de leeswoordenschat
- aanpakgedrag
- problemen
bij vakken
- problemen
in psychosociaal functioneren
- taalontwikkelingsproblemen
en woordenschatverwerving
- problemen
als gevolg van leerstoornissen op andere gebieden of co-morbiditeit
- beperkte
meta-cognitieve vaardigheden
Als op alle 3 niveaus onderzoek is gedaan volgt de
conclusie: dyslexie.