geëxternaliseerde gedragsstoornis

Vragen ten behoeve van de diagnostiek van de geëxternaliseerde gedragsstoornis

Denkt het kind irrationeel.

  1. Het stellen van dwingende eisen t.a.v. zichzelf of anderen.
  2. Rampdenken. (situaties als verschrikkelijk beoordelen)
  3. Niet kunnen omgaan met tegenslag.
  4. Je waarde als mens niet op de juiste wijze kunnen inschatten. (zelfoverschatting)

Vragen ten behoeve van de diagnostiek van de geëxternaliseerde gedragsproblemen

Vragen ten behoeve van de diagnostiek van de geïnternaliseerde gedragsstoornis

Denkt het kind irrationeel.

  1. Het stellen van dwingende eisen t.a.v. zichzelf of anderen.
  2. Rampdenken. (situaties als verschrikkelijk beoordelen)
  3. Niet kunnen omgaan met tegenslag.
  4. Je waarde als mens niet op de juiste wijze kunnen inschatten. (onderschatten)

Vragen ten behoeve van de diagnostiek van ADHD

  1. Zijn de criteria van de DSM IV van toepassing.
  2. Zijn er neurologische aanwijzingen voor onrijpheid of hyperkinesi.
  3. Zijn de problemen in de vroege jeugd begonnen.
  4. zijn er familieleden met ADHD
  5. Past het kind zich gemakkelijk aan.
  6. Kent het kind een goede ik-ander differentiatie.
  7. Heeft het kind behoefte om met andere kinderen te spelen of te werken.
  8. Blijft het kind actief wanneer het in gesprek is.
  9. Is het kind in staat tot zelfreflectie.
  10. Is er sprake van andere rijpingsstoornissen.
  11. Is er sprake van leerstoornissen.
  12. Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind verklaren.

Vragen ten behoeve van de diagnostiek van DCD

  1. Zijn de criteria van de DSM IV van toepassing.
  2. Zijn er opvallendheden in de motoriek van het kind.
  3. Zijn de problemen met de spraak.
  4. Zijn er familieleden met DCD.
  5. Heeft het kind fysiotherapie of logopedie gehad.
  6. Hoe is het zelfbeeld van het kind.
  7. Is er sprake van faalangst.
  8. Hoe stelt het kind zich op in sociale situaties.
  9. Heeft het kind behoefte om met andere kinderen te spelen of te werken.
  10. Is er sprake van andere rijpingsstoornissen.
  11. Is er sprake van leerstoornissen.
  12. Zijn er omstandigheden die het gedrag van het kind verklaren.

DIAGNOSTIEK advies van het ministerie van onderwijs en wetenschappen.

(Dyslexie, een praktische gids voor scholen voor voortgezet onderwijs, augustus 2002)

Een goede diagnose bestaat uit 3 onderdelen:

  1. De onderkennende diagnose
  2. De verklarende diagnose
  3. De handelingsgerichte diagnose.

De onderkennende diagnose bevat 5 criteria waaraan moet worden voldaan:

lezen: getoetst wordt op woord en tekstniveau.

Is er sprake van achterstand? 

De mate van achterstand, korte beschrijving van het leesgedrag m.b.t. tempo en nauwkeurigheid (tempo laag, groot aantal fouten, radende spellende leesstijl)

spelling: 

Spellingsachterstand, mate van spellingsachterstand, korte beschrijving van het spellingsgedrag (m.b.t. tempo) leesbaarheid, soorten fouten en aantal fouten.

Er kan sprake zijn van een zwakke, niet geautomatiseerde woordbeeldidentificatie. Er kunnen problemen zijn met de automatisering van schriftbeeldvorming.

De verklarende diagnose bevat 3 kenmerken waaraan voldaan moet worden.

  1. Ze bekijkt of er tekorten aantoonbaar zijn in de fonologische klankverwerking
  2. Tekorten in de toegankelijkheid van taalkennis in het bijzonder en de kennis t.a.v. symbolen (natuurkunde wiskunde)
  3. Tekorten inde automatisering van complexe vaardigheden

De uitspraken worden gedaan op basis van gegevens die verkregen zijn met controleerbaar betrouwbare psychodiagnostische instrumenten en procedures. Aangegeven moet worden dat de stoornis niet het gevolg mag zijn van omgevingsfactoren, zoals een tekort aan onderwijs of van onderwijs op een te hoog niveau.

De handelingsgerichte diagnose heeft tot doel aangrijpingspunten voor behandeling vast te stellen, die leiden tot een oplossing of vermindering van onderwijsbelemmeringen

Onderscheid wordt gemaakt in taakrelevante aangrijpingspunten en taakgerichte aangrijpingspunten.

Taakrelevante aangrijpingspunten: frustratie van talent, aan en afwezigheid van compensatiemogelijkheden, het sociaal- emotioneel functioneren en al dan niet voorkomen van leer-en werkhoudingsproblemen.

Taakgerichte aangrijpingspunten: keuzes m.b.t. remediëren, compenseren en dispenseren.

Compensatiemogelijkheden: letten op: cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, emotionele stabiliteit, motivatie, algemeen taak-aanpak gedrag, meta-cognitieve vaardigheden, leesredzaamheidstrategieën.

Taakgerichte behandelpunten :

Toelichting waarom dit voor de leerling opgaat Te denken is aan:

Taakrelevante behandelingspunten:

Toelichting waarom dit punt voor deze leerling opgaat Te denken is aan:

Als op alle 3 niveaus onderzoek is gedaan volgt de conclusie: dyslexie.